Naar overzicht

Wie is bang van excellentie?

Van Wout van Aert mag je zeggen dat hij beter is dan de meeste andere wielrenners. Van Remco Evenepoel mag je zeggen dat hij uitzonderlijk is. Pommelien Thijs? Ongeëvenaard in de muziek. Niemand vindt dat controversieel. We hangen vlaggen uit, delen fragmenten op sociale media en noemen het inspirerend. In sport en entertainment is excellentie een feest. Op andere plekken zien we het vaak als een probleem. 

Performance is een beladen woord geworden. We mogen mensen niet rangschikken op prestatie of merites alleen, wordt dan gezegd. Daar ben ik het volkomen mee eens. Maar in die zin staat een cruciaal woord: alleen. Dat we – omdat we de mens zien als meer dan een optelsom van zijn prestaties – performance nuanceren, is goed. Dat we met het kind het badwater weggooien, is ronduit kwalijk. 

Waarom hebben we het zo moeilijk met performance op school of in een bedrijf? Wel, zeggen dat iemand uitblinkt, impliceert dat iemand anders dat minder doet, en dat mag je niet hardop zeggen. Teams krijgen collectieve feedback. Beoordelingsgesprekken worden ‘groeigesprekken’. Rangschikken is verdacht, differentiëren ongemakkelijk. We hebben een cultuur gecreëerd waarin iedereen gewaardeerd moet worden – dat is goed – maar waarin ook niemand nog mag opvallen of aangemaand worden tot het uiterste te gaan. We leven in het tijdperk ‘goed genoeg’. 

Excellentie belonen voelt elitair , alsof je de anderen tekortdoet. Maar het tegendeel is waar. Het gevolg van deze manier van denken is een systeem dat de middenmoot bedient en de uitschieters, naar boven én naar beneden, laat liggen. Wie dat durft te benoemen, wordt al snel weggezet als iemand die ongelijkheid vergoeilijkt. Dat is absolute nonsens. Wie excellentie niet erkent, ontneemt mensen de kans om te groeien. Wie gelooft dat talent overal zit, in elke wijk, elke school, elk gezin, moet ook geloven dat dat talent verdient om gezien en gestimuleerd te worden. Ik las laatst de slogan: if you can see it, you can be it . Maar wat gebeurt er in een wereld waarin we performance zo relativeren dat ze nauwelijks nog zichtbaar is? Wie het streven naar performance laat varen, veroordeelt talentvolle mensen tot absolute middelmatigheid. 

In dat licht houd ik mijn hart vast voor de Europese loontransparantierichtlijn, die bedrijven verplicht om loonverschillen objectief te verantwoorden. Dat is een goede zaak: gelijk loon voor gelijk werk is een basisprincipe. Maar het dwingt organisaties ook om onder ogen te zien wat ze jarenlang hebben vermeden. Namelijk: helder maken wie beter presteert en waarom die persoon meer verdient. In bedrijven waar performance al jaren wordt gladgestreken, wordt dat een confrontatie. Het goede is dat men dan kan nagaan of loon in functie staat van de geleverde toegevoegde waarde die een werknemer biedt. Het nadeel: misschien wordt het zo pijnlijk merkbaar dat niet iedereen dezelfde toegevoegde waarde levert. 

Dit is geen pleidooi voor een harde meritocratie waarin alleen cijfers tellen en menselijkheid verdwijnt. Dit gaat over de vraag of we excellentie nog durven te benoemen en of we mensen nog mogen aanzetten tot prestatie. Of we durven te erkennen dat gelijke behandeling niet hetzelfde is als identieke behandeling. Uiteindelijk is het doel van elk mens en elk bedrijf groei. De wil om te excelleren zit in elk van ons. Niemand begon ooit een job, relatie of uitdaging met een brandend verlangen om middelmatig te zijn. 

Europa heeft performance nodig. We zijn voorzichtiger geworden in hoe we presteren benoemen, belonen en aanmoedigen. De Amerikanen en Chinezen hebben dat probleem niet. Zij vieren hun besten, investeren er disproportioneel in en verwachten dat de rest volgt. De vraag is dan: hoe blijven we met hen concurrentieel? 

De vijand anno 2026? Opgelegde middelmatigheid.

Julien De Wit De auteur is publicist, ondernemer, eigenaar van het strategisch consultingbureau Thinkahead Inc en onderzoeker bij de denktank Itinera. www.juliendewit.be

Weergave van column in Trends, geschreven in eigen naam.