Too AI to fail?
Ik zit de laatste tijd met een ongemakkelijke gedachte. Wat als het risico van de eeuw zich afspeelt voor onze neus? We praten altijd over de belofte van artificiële intelligentie (AI). Over de kosten veel minder. Dat is opmerkelijk, want achter die belofte van ongekende productiviteit schuilt een economisch model dat voorlopig vooral draait op geloof, geduld en andermans geld.
Het dominante discours is bekend: AI zal onze welvaart vooruitstuwen, onze productiviteit vertienvoudigen en hele sectoren hertekenen. De toekomst is beloftevol, maar wie onder de motorkap van die nieuwe miljardenindustrie kijkt, stuit op een ongemakkelijke realiteit die me zorgen baart.
Een gemiddelde AI-gebruiker betaalt enkele tientallen euro’s per maand voor een tool waarvan de werkelijke operationele kosten een veelvoud bedragen. Datacenters moeten om de paar jaar worden vernieuwd. Het energieverbruik is kolossaal, kosten voor onderzoek en ontwikkeling evenzeer. De infrastructuur wordt voortdurend uitgebreid, zonder dat daar een evenredige inkomstenstroom tegenover staat. Wie draagt die last en betaalt de rekening vandaag? Dat zijn onder meer de grote techbedrijven, overheden en schuldfinanciers.
Sam Altman, de topman van Open AI, het bedrijf achter ChatGPT, suggereerde onlangs dat we in de toekomst voor AI zullen betalen zoals voor gas, elektriciteit of water. Als nutsvoorziening dus. Dat klinkt redelijk, tot je beseft wat het impliceert: een forse prijsstijging op het moment dat de werkelijke kosten worden doorgerekend. Zolang het gebruik gesubsidieerd blijft, voelt AI goedkoop. Zodra het op eigen benen moet staan, verandert het plaatje ingrijpend.
Wat mij zorgen baart, is het systeemrisico dat onder die constructie borrelt. De grote techbedrijven die de AI-infrastructuur financieren, zijn verweven in het financiële systeem met pensioenfondsen, beleggingsinstrumenten, overheidsbudgetten en mondiale kapitaalstromen. Een gebrekkig businessmodel dat mondiaal vertakt zit, schreeuwt: problematisch!
Het doet denken aan de crisis van 2008. Het scheelde toen geen haar of de volledige wereldeconomie ging ten onder. De banken moesten gered worden omdat ze te groot waren geworden om te mogen falen. Vandaag zie je diezelfde dynamiek ontstaan rond tech. Is big tech vandaag ook niet too big to fail?
Neem daar de macro-economische context bij , de hoge overheidsschulden en een mogelijke correctie na een lange schuldencyclus, dan wordt de timing precair. Het risico is niet dat AI faalt als technologie. Het risico is dat de economische fundamenten eronder bezwijken op het slechtst denkbare moment.
Loopt het hoe dan ook fout? Dat hoeft niet. De enige uitweg die het model sluitend maakt, is een productiviteitswinst van historische proporties. AI zou zoveel menselijke arbeid moeten vervangen of versterken dat de hogere kosten geabsorbeerd worden zonder dat gebruikers of bedrijven het voelen. Maar daar wringt het schoentje. Die massale productiviteitswinsten zijn er voorlopig niet, althans niet op de schaal die nodig is om het kostenplaatje rond te krijgen. En zelfs als ze er komen, rijst de vraag: ten koste van wat?
Elke golf van technologische vooruitgang beloofde ons het walhalla. Meer tijd, meer rust, meer ruimte, meer winst. En telkens was daar ook het bubbelgevaar. Misschien is dat wel de kern van het probleem. Niet dat AI niet werkt, maar dat we er een economisch verhaal op bouwen dat de toets van de realiteit nog moet doorstaan. Elke vorm van subsidiëring en financiële ondersteuning is in se een marktverstoring. De vraag is dan: welke grote conclusies trekken we misschien te snel of te traag? Wie vandaag over AI spreekt als over een zekerheid, negeert dat de rekening nog openstaat, en dat niemand precies weet wie ze zal betalen.
Weergave van column in Trends, geschreven in eigen naam.
Julien De Wit De auteur is publicist, ondernemer, eigenaar van het strategisch consultancybureau Think Ahead Inc. en onderzoeker bij de denktank Itinera. WWW.juliendewit.be