Naar overzicht

Basisinkomen is asociale hallucinatie

Basisinkomen2
Nu overheden wereldwijd alles en iedereen met subsidies en uitkeringen onderhouden, is een straatoude droom terug van nooit helemaal weg te zijn geweest: het universeel basisinkomen. Ook bij ons wordt daarover opnieuw gefantaseerd, in het bijzonder bij de Franstalige liberalen.

Het basisinkomen heeft al eeuwenlang verleidingskracht over de ideologische grenzen heen. Zeg ‘universeel basisinkomen’ en libertariërs denken aan het einde van de welvaartsstaat, progressieven aan het einde van armoede, liberalen aan het einde van complexe uitkeringen en filosofen aan een nieuw mensenrecht. Zodra het over omvang en voorwaarden gaat, spat de verleidingsbubbel uiteen en komt de ideologie weer boven.

We leven in een democratische rechtsstaat en in een sociaal gecorrigeerde markteconomie. We dragen allemaal een heel arsenaal rechten en plichten die variëren doorheen ons leven. Dat complexe sociaal contract vergt wederzijdse engagementen van iedereen. Een onvoorwaardelijk basisinkomen is een methode voor rechten zonder plichten, een vrijgeleide om te krijgen zonder bij te dragen aan die gedeelde verantwoordelijkheid.

Asociaal en regressief


Dat conservatieve bezwaar tegen het basisinkomen kent een progressief pendant. In ons maatschappelijk contract dragen de breedste schouders de zwaarste lasten en krijgen de zwakkeren het meeste steun. Het basisinkomen kent per dezelfde inkomenssteun toe aan iedereen, rijk of arm, gezond of ziek, jong of oud. Het is asociaal en regressief.

Protagonisten zullen basisinkomen daarom aanpassen al naargelang de doelgroep, of aanvullen met andere voordelen. Dan verlies je de praktische elegantie en wordt het basisinkomen al snel een zoveelste uitkering in de steeds uitdijende sociale zekerheid. Dan is de mooie droom voorbij en komt de complexe werkelijkheid boven.

Die werkelijkheid is vooreerst budgettair. Zodra het basisinkomen een bescheiden inkomen moet zijn in plaats van een symbolische aalmoes, volgt een rekening van vele miljarden per jaar. Onbetaalbaar tenzij je tegelijkertijd met de grove borstel door bestaande uitkeringen en verzekeringen gaat. Wat liquideren we: de pensioenen, de gezondheidszorg, het onderwijs, het gezinsbeleid, de ouderenzorg? En wat de verliezers in de plaats krijgen, zal per definitie minder zijn want het moet over de hele bevolking worden uitgesmeerd. Niet dus.

Dan is er doelmatigheid. Onze hyperdiverse samenleving kent grote groepsongelijkheden. Aan de ene kant hoogopgeleide kenniswerkers. Aan de andere kant generatiewerkloosheid, laaggeschoolden, gemarginaliseerde immigranten, honderdduizenden langdurig zieken, enzovoort. Tegen die achtergrond is het devies: vermijd loutere uitkeringen en focus op diensten die achterstand inhalen en activerend werken. Het basisinkomen doet het omgekeerde. Het zal groepsongelijkheden bestendigen en de economische zwakte van doelgroepen verankeren.

Minder arbeidsparticipatie


Op de arbeidsmarkt betekent een universeel basisinkomen een universele loonsubsidie voor alle werkgevers. Wie wil daarvoor tekenen? We verwachten van bedrijven decente lonen gedragen door goede productiviteit. Het basisinkomen betekent een risico voor minderwaardige jobs en voor minder arbeidsparticipatie, want gecompenseerd met inkomen gefinancierd door ons allemaal.

Natuurlijk kan een basisinkomen de combinatie van leven en werken vergemakkelijken, ondernemen bevorderen, armoede verminderen en welzijn stutten. Maar het sop is de kool niet waard. Voor al die voordelen bestaan ook alternatieven – een betere arbeidsmarkt, economie en sociale zekerheid – zonder de perverse effecten. Over de theoretische wenselijkheid van een basisinkomen kan je bibliotheken vullen. Op de begane grond van maatschappij en economie is een universeel basisinkomen een asociale hallucinatie.

Lees meer in het boek van Marc De Vos en Simon Ghiotto: Basisinkomen, tussen droom en werkelijkheid.

Weergave van column in Trends, geschreven in eigen naam.