Nieuwe ongemakkelijke waarheden
Twintig jaar geleden trok Al Gore de wereld rond met een film over smeltende ijskappen, hittegolven, droogte en overstromingen. “An Inconvenient Truth” werd een fenomeen dat klimaatverandering tot mondiale prioriteit hielp maken.
We beleven het failliet van wat Gore probeerde te bereiken. Niet omdat hij ongelijk had, maar omdat twee decennia klimaatpolitiek falen. Het Klimaatakkoord van Parijs wilde ruim onder 2 graden opwarming blijven, liefst onder 1,5. Die laatste grens overschrijden we nu al. We koersen richting 2 graden rond het midden van de eeuw.
De zomer van 2026 leert ons dat opwarming nu al in ons klimaat ingebakken zit, tenzij we met geo-engineering aan de planetaire thermostaat gaan draaien. Klimaatadaptatie en -weerbaarheid worden even belangrijk als de energietransitie. Waterhuishouding en irrigatie, hittebestendige woningen en steden, bos- en natuurbeheer, kritieke infrastructuur: grote investeringen om nog grotere schade te vermijden, maar ook nieuwe economische activiteit. Daarbij hoort ook een financieel model voor het beheer van risico’s op overstroming, droogte, brand of storm.
Europa loopt voorop in klimaatbeleid, maar krijgt daarvoor industriële verzwakking én klimaatopwarming terug.
Dan de tweede ongemakkelijke waarheid. Europa loopt voorop in klimaatbeleid, maar krijgt daarvoor industriële verzwakking én klimaatopwarming terug. We hebben onze productie verminderd, we elektrificeren, maar we consumeren en importeren ook zonnepanelen, batterijen, staal en auto’s van elders. We exporteren onze emissies naar meer vervuilende landen, terwijl de rest van de wereld ons amper volgt in de energietransitie.
De EU genereert nog zowat 6 procent van de mondiale broeikasuitstoot. Zelfs een klimaatneutraal Europa stopt de opwarming niet wanneer de mondiale energiehonger blijft groeien. De energietransitie is wereldwijd nog veel meer energie-additie, door innovatie en groei.
China en Amerika hebben dat beter begrepen. China bouwt op ongeziene schaal zon, wind, batterijen, netwerken en kerncentrales. Het domineert de industrieën van de energietransitie. Maar Peking kent geen Europese taboes: het bouwt ook steenkoolcentrales, breidt olie- en gaswinning uit en investeert in mijnbouw en raffinage. In Amerika verving de schaliegasrevolutie de veel vuilere steenkool in elektriciteitsproductie en drukte zo de uitstoot, terwijl bedrijven en deelstaten massaal investeren in hernieuwbare en nucleaire energie. China en Amerika verzoenen klimaat, energie, industrie en macht.
Daar ligt de derde nieuwe ongemakkelijke waarheid voor Europa. Ook wij moeten alternatieve energie massaal opschalen, maar met geopolitiek realisme. Geen groene afhankelijkheid van China in plaats van fossiele afhankelijkheid van Rusland. Geen klimaatbeleid dat industrie wegprijst om dezelfde producten en emissies vervolgens te importeren. Geen energiebeleid van beperking terwijl de nieuwe economie steeds meer elektriciteit vraagt.
Want daar komt AI, een wedloop om datacenters, chips, netwerken en – vooral – elektriciteit. Europa kan niet tegelijk een AI-continent, een industriële grootmacht en een energieschaarse economie zijn. En als we niet sterk staan in AI en industrie, dan zijn we op het vlak van veiligheid, defensie en welvaart een speelbal.
Europa zit beleidsmatig nog vast in de wereld van Al Gore. Het alternatief is een eco-industriële strategie van uitbouwen in plaats van uitfaseren: nieuwe zonnepanelen en batterijen van eigen bodem, de nieuwste kernreactoren en uiteindelijk kernfusie, maar ook eigen fossiele energie. We moeten
tegelijk uitstoot verminderen, ons aanpassen aan opwarming, industrie behouden, afhankelijkheden afbouwen en meer energie produceren. De vraag is niet of Europa zijn klimaatambitie moet opgeven. De vraag is of Europa zijn klimaatmodel durft op te geven om die ambitie nog te realiseren.