Vlaanderen moet durven te kiezen
Een industrieforum, een toekomstpact, een industrieminister in de persoon van de minister-president, een versnellingsplan, een actieplan met zowat 90 initiatieven en een klimaatsprongplan: je kan niet zeggen dat Vlaanderen het industriebeleid negeert. En terecht. De globalisering is voorbij. Europa wil op eigen bodem strategische capaciteit opbouwen in kritieke sectoren. Oekraïne en het Midden-Oosten zijn een existentiële shock voor de energie-intensieve productie. China dumpt onze industrie kapot en Amerika gaat agressief voor dominantie. In die jungle zijn overheden overal mee aan zet, zowel defensief als offensief, zowel voor overleven als voor uitbouwen. Aan de zijlijn blijven staan betekent verval. Ondertussen zwaait Vlaanderen met belastinggeld - onder andere voor de verankering van de nationale luchthaven (2,77 miljard euro, via de Participatiemaatschappij Vlaanderen), voor het behoud van de Volvo-fabriek in Gent (119 miljoen), voor de aankoop van het bedrijfsterrein van Van Hool (geveild vanaf 20 miljoen), voor CO ₂ -reductie in de industrie (2 miljard over tien jaar vanaf 2028), voor de Einstein-telescoop (500 miljoen), voor een Vlaams technologiefonds (175 miljoen) en voor innovatie en industrie in veiligheid en defensie (tot bijna 50 miljoen per jaar tegen 2029). Dat zijn nog altijd microbedragen in vergelijking met die van de Vlaamse herverdelingsmachine. Aan sociaal beleid en onderwijs besteedt Vlaanderen al bijna 40 miljard in 2026. Maar al even terecht worden vragen gesteld bij de doelmatigheid van dat soort uitgaven. Vlaanderen heeft een overschot aan organen, gremia en kaderteksten rond industrie, maar een tekort aan strategische focus. Die ligt nochtans voor de hand en staat - hoe kan het anders? - wel ergens in de veelheid van documenten. De chemiecluster, agrovoeding en geneesmiddelenindustrie, duurzame energie, biotech, digitale technologie, ruimtevaart, chips, havens en defensie-industrie: dat zijn de Vlaamse troeven in de herindustrialisering van een geopolitiek Europa. De essentiële vragen zijn: waarin wil Vlaanderen uitblinken, waarin ambiëren we de Europese top, wat is daar beleidsmatig voor nodig en hoe realiseren we industrieel een cluster- en ecosysteemaanpak om te slagen? Leggen we daarbij de klemtoon op defensief protectionisme of op offensieve innovatie? Wat wordt de rol van Vlaanderen nu de waardeketen van chips mondiaal deglobaliseert en AI doorbreekt? Hoe kunnen we Imec daarbij herpositioneren als een industriële motor? Hoe kijken we naar onze havenregio als geostrategische toegangspoort? Willen we een fusie van Antwerpen en Rotterdam om een echte wereldspeler te worden? Waar zien we de petrochemische cluster over 10 à 20 jaar? Hoe wil Vlaanderen de geopolitieke kanteling in de biofarma - met zowel de VS als China in overdrive voor industrieel leiderschap ten koste van Europa - beantwoorden? In welke technologieën wil Vlaanderen internationaal doorbreken in het tijdperk van dual use militair-civiele veiligheid, in een Europa dat historisch herbewapent? Wat is onze industriële of technologische ambitie in de nucleaire renaissance?
Niet langer timide
De overheid kan de markt niet vervangen en mag evenmin haar kerntaak van algemene competitiviteit negeren. Maar in alle sectoren van geopolitiek belang wordt dezer dagen de toekomst gemaakt door een strategische synergie tussen de overheid en de markt. Voor een kleine open economie als Vlaanderen betekent dat: durven te kiezen. Inzoomen op eigen potentieel, zich intelligent onderscheiden van andere landen, snelheid en schaal bereiken, en meerjarig publiek-privaat investeren. Kiezen vergt ook een Vlaamse regering en een overheid die buiten Vlaanderen een sterke hefboom worden voor de eigen geo-economische agenda. Vooreerst in het federale België, waar bijvoorbeeld defensie, veiligheid en buitenlandse handel belangrijke domeinen zijn. Transnationaal in Europa - bijvoorbeeld met Nederland voor de havens en Imec plus ASML/Brainport, met Duitsland als draaischijf van een nieuw militair-industrieel complex en voor energiecorridors vanuit onze havens. En proactief en in coalitie met de industriële agenda van de Europese Unie. Een heldere focus met heldere politieke en geopolitieke prioriteiten is de ontbrekende filter om ad-hocopportuniteiten voor uitgaven en investeringen door Vlaanderen te beoordelen. Zo’n filter kan toelaten de rol van Participatiemaatschappij Vlaanderen veel strategischer te concentreren. Een Vlaams industrieel beleid met Europese ambitie vergt bovendien meer privaat investeringskapitaal in Vlaanderen. Ook daarin moet Vlaanderen echt durven te kiezen. Het probleem is dus niet dat Vlaanderen het industrieel beleid ontdekt, het probleem is dat Vlaanderen onvoldoende doorpakt. De Vlaamse overheid is niet langer economisch timide, maar ze is nog niet industrieel strategisch. Dat is nodig en dringend.
Weergave van column in De Tijd, geschreven in eigen naam.