Leeftijd mag geen label zijn
Ik werd onlangs zesentwintig. Geen bijzondere leeftijd, zou je denken. Maar in bepaalde vergaderzalen merk je dat het meetelt. Steeds minder, maar nog steeds. Als jonge ondernemer heb ik het meermaals meegemaakt: de blik die afdwaalt naar je geboortejaar, de vraag of je die ervaringen echt al hebt opgedaan, de subtiele herpositionering in de hiërarchie. In België althans. Werk je met buitenlandse bedrijven samen, dan levert leeftijd vaak minder problemen op. In de Verenigde Staten wordt het op jonge leeftijd streven naar of bekleden van bepaalde posities vaak zelfs als een pluspunt gezien. Daar telt wat je doet en het aantal ervaringen, niet je geboortejaar.
Het werkt ook andersom. Ook ons oudere talent behandelen we te vaak stiefmoederlijk. Vijftigers die geen uitnodiging meer krijgen voor sollicitatiegesprekken. Ervaren professionals die zichzelf al hebben afgeschreven voor een carrièreswitch. De 55-plusser die niet meer wordt meegenomen in de AI-transitie, of de boomer op de communicatieafdeling naar wie niet meer echt wordt geluisterd.
Leeftijd is een dingetje. Onterecht. Je hoort het ook in de complimenten die mensen geven, vaak goedbedoeld. “Sterke inzichten, zeker voor een twintiger.” Of: “Bianca is nog goed mee voor haar leeftijd.” Het klinkt als lof, maar verraadt het tegenovergestelde. Wie iets goed doet, doet iets goed. Noch ondanks, noch dankzij zijn of haar leeftijd. We voelen intuïtief aan hoe absurd het is te zeggen dat iemand goed presteert “voor een vrouw” of dat iemand iets knaps heeft gedaan “voor een moslim”. Bij leeftijd voelen we die wrangheid veel minder. Terwijl het mechanisme exact hetzelfde is: je beoordeelt op basis van een irrelevant criterium.
Het venster waarin je geacht wordt te spreken, te denken, te bouwen en mee de koers te bepalen in de samenleving, is opvallend smal. Er lijkt een periode te bestaan, misschien vijftien jaar, waarin de samenleving je gezag gunt. Daarvoor ben je te bleu, daarna ben je in verval. Nochtans vormen zowel jongeren als ouderen een aanzienlijk deel van de samenleving.
De labels ‘jong’ en ‘oud’ verlammen op den duur ook onze eigen ambitie. Psychologen spreken over geïnternaliseerd agisme, de neiging om leeftijdsvooroordelen op jezelf toe te passen
De labels ‘jong’ en ‘oud’ verlammen op den duur ook onze eigen ambitie. Psychologen spreken over geïnternaliseerd agisme, de neiging om leeftijdsvooroordelen op jezelf toe te passen: daar ben ik te oud of te jong voor. Die zelfcensuur heeft een economische prijs. België vergrijst. De arbeidsmarkt schreeuwt om talent en tegelijk sluiten we systematisch mensen uit op basis van leeftijd. Dat is niet alleen moreel problematisch, het is ook economisch onhoudbaar. Een samenleving die talent uitsluit terwijl ze het nodig heeft, ondermijnt haar eigen kansen. Onderzoek toont bovendien consistent aan dat leeftijdsdiverse teams beter presteren, precies omdat ze verschillende perspectieven combineren. Niet leeftijd, maar verdienste zou het criterium moeten zijn.
Leeftijd bestaat, en is relevant. Lichamen veranderen, tijd is eindig. Maar leeftijd zou niet mogen bepalen wat iemand mag willen, proberen of worden. Dat we iemand van vijfentwintig minder krediet geven dan iemand van vijfenveertig met dezelfde ideeën, zegt vooral iets over onze criteria. Die zijn niet rationeel, ze zijn cultureel. En cultuur is maakbaar. Een volwassen samenleving die een vergrijzingsgolf wil overleven, organiseert zich rond bekwaamheid en bijdrage. Niet rond wanneer iemand is geboren, maar rond wat iemand te bieden heeft.