Naar overzicht

Inactiviteit in België: het Hotel Mama-effect?

Deze infographic laat een significante evolutie zien in de trend naar inactiviteit en suggereert dat er meer aandacht moet worden besteed aan beleid om jongeren te activeren. In 15 jaar tijd is het aantal inactieve jongeren van 18-24 jaar met 33% gestegen. Lange studies, angst voor de toekomst, bezorgdheid onder jongeren tot 25 jaar?

Ter herinnering: De bevolking op arbeidsleeftijd (18-64) is verdeeld in werkenden, werklozen en inactieven. De inactiviteitsgraad is het aandeel inactieven in de bevolking op arbeidsleeftijd. Het is het minder zichtbare gezicht van de arbeidsmarkt. Deze inactiviteitsgraad, die al te vaak over het hoofd wordt gezien in politieke discussies, omvat studenten, ontmoedigde of vrijgestelde werklozen, huisvrouwen, langdurig zieken en bruggepensioneerden. In België bedraagt de inactiviteitsgraad ongeveer 23% voor de hele bevolking tussen 18 en 64 jaar, tegenover 16,5% in Nederland.[i]

Deze infographic onderzoekt de trend in deze inactiviteitsgraad tussen 2006 en 2021 voor twee verschillende demografische groepen: jongeren (18-24 jaar) en senioren (55-64 jaar). We werken op basis van administratieve gegevens uit de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid.[ii] 

Trendomkering

Tussen 2006 en 2021 is de dynamiek van inactiviteit naar leeftijd omgekeerd in België. In 2006 werd 44% van de jongeren tussen 18 en 24 jaar geregistreerd als inactief, terwijl 59% van de ouderen tussen 55 en 64 jaar inactief was.

Tegen 2021 is de situatie volledig omgekeerd, met 56% van de jongeren als inactief tegenover 34% van de ouderen. Deze toenemende inactiviteit onder jongeren en afnemende inactiviteit onder ouderen staat in contrast met ons activeringsbeleid voor vergrijzing, dat niet erg op jongeren is gericht. Het is moeilijk om in deze omstandigheden een arbeidsparticipatie van 80% te bereiken.

Inactiviteit als functie van leeftijd

Figuur 1 Bron: Steunpunt Werk en eigen berekeningen

Elementen van interpretatie

De eerste interpretatie is dat er sprake is van communicerende vaten: ouderen die langer werken zouden de toetreding van jongeren tot de arbeidsmarkt uitstellen. Deze interpretatie is niet plausibel in een context van tekorten op de arbeidsmarkt die verband houden met een structurele afname van de beroepsbevolking. Deze twee trends moeten afzonderlijk worden geanalyseerd.

De daling van de inactiviteit in de leeftijdsgroep 55-64 jaar kan worden toegeschreven aan een aantal factoren, waaronder wetswijzigingen om de wettelijke pensioenleeftijd te verhogen, de criteria om in aanmerking te komen voor vervroegde uittreding te herzien en de minimumleeftijd voor het recht op een overlevingspensioen te verhogen. Daarnaast zetten algemene gezondheidsverbeteringen, veranderingen in de arbeidsomstandigheden, de stijgende kosten van levensonderhoud en de nieuwe samenstelling van huishoudens mannen en vrouwen er steeds meer toe aan om langer te blijven werken.

De toename van inactiviteit onder jongeren suggereert het bestaan van een algemeen "Hotel Mama"-effect dat de intrede van jongeren op de arbeidsmarkt uitstelt. Verschillende factoren kunnen bijdragen aan dit fenomeen. De eerste heeft te maken met regelgeving die de studieduur verlengt. De Bolognahervorming, die het hoger onderwijs opnieuw definieerde (decreet 31 maart 2004), verlengde formeel de studieduur. Een tweede factor houdt verband met ons beleid van vrije toegang tot het hoger onderwijs. In Vlaanderen voltooit 42% van de studenten die aan het hoger onderwijs beginnen op tijd hun bachelordiploma en 30% valt uit. Het gemiddelde slaagpercentage aan universiteiten en hogescholen is 66%..[iii]  De succescijfers zijn vergelijkbaar in de Franse Gemeenschap. Het "decret Paysage" (7 november 2013) met de strategie van het spreiden van studiepunten heeft bijgedragen tot het verlengen van de feitelijke studieduur tot boven de theoretische duur, en dus tot het verlengen van de periode van inactiviteit voor jongeren.

Inactiviteit en onderwijs

Figuur 2 Bron: Onderwijs Vlaanderen, Ares-ac.be en eigen berekeningen

 Het aantal jongeren tussen 18 en 24 jaar dat hoger onderwijs volgt, is tussen 2006 en 2021 gestegen met 40% in de Franse Gemeenschap en met 60% in Vlaanderen.  In totaal is het aandeel jongeren in het hoger onderwijs in de bevolking tussen 18 en 24 jaar gestegen van 35,3% naar 51,7% in 15 jaar (figuur 2).  De stijging van de inactiviteit onder jongeren gaat dus duidelijk samen met de stijging van het aantal jongeren dat universitair of hoger onderwijs volgt.

 


[i] Stijn Baert (2021), The iceberg decomposition: A parsimonious way to map the health of labour markets, Economic Analysis and Policy 69, pp. 350-365.

[ii] De gegevens van Steunpunt Werk worden ontleend aan verschillende administratieve bronnen: RSZ, INASTI, INAMI, ONEM, Statbel, DWH AM&SB binnen BCSS, BISA.  Deze administratieve gegevens zijn te onderscheiden van enquêtegegevens zoals die van de arbeidskrachtenenquête (LFS van de FOD Economie) die gebruikt worden voor internationale vergelijkingen. Deze enquête is gebaseerd op antwoorden op de volgende vragen: "Heb je werk of ben je op zoek naar werk? Bent u beschikbaar voor werk binnen een bepaalde periode?" Steekproeffouten en subjectiviteitsvertekening beperken de relevantie van deze gegevens, vooral voor de populatie waarin we geïnteresseerd zijn. Wat de administratieve gegevens betreft, zijn de werkloosheidsreglementeringen duidelijk over de verplichting om actief werk te zoeken. Werkloze ouderen die zijn vrijgesteld van het zoeken naar werk, worden daarom als inactief behandeld.

[iii] Zie Koen Declercq en Frank Verboven (2018), De uitdagingen van het hoger onderwijs, in: Kristof De Witte en Jean Hindriks (eds), De (her)vormende school, Gent.